EEN SAMENWERKING.
Als iets intrigeert zijn het wel kleine deurtjes die je niet mag openen. Je
hebt de neiging dat wel te doen. Om te kijken wat er achter zit. Meestal
weet je waar het om gaat: altaarstukken, triptieken, paneelschilderingen.
Van die houten deurtjes die aan de buitenkant beschilderd zijn met een
'werelds' landschap of die een stille verwijzing naar de inhoud erachter
bevatten. In de 14e en 15e eeuw kent het genre van de triptiek hoogtepunten
met prachtige schilderingen in Italië, Nederland, Duitsland en Vlaanderen.
Maria met kind in het midden, geflankeerd door Heiligen of afbeeldingen van
de rijke opdrachtgevers op de zijpanelen. Doordrenkt van symboliek,
kleurrijk en rijkelijk voorzien van goud. Iconen van het katholicisme.
Dat soort gedachten dringen zich op als je de drieluikjes ziet die Arie
Brinkman en Helen Vergouwen maken. Drieluikjes die als ze openstaan een deel
van hun inhoud prijsgeven en die in gesloten toestand vragen om geopend te
worden. Aan die vier tot vijfhonderd jaar oude deurtjes mag je niet komen,
aan deze werken gelukkig wel.
Systematiek, kleurverlopen, structuren en vervormingsprocessen bepalen al
meer dan 25 jaar de systematische composities van Arie Brinkman. Hoewel de
eindresultaten er in de meeste gevallen complex uitzien, zijn ze vaak op een
vrij eenvoudige manier tot stand gekomen. Brinkman stelt regels op en
spreekt met zichzelf af of er vierkantjes of driehoeken gebruikt worden.
Deze elementen worden vervolgens gerangschikt op een vlak. De rangschikking
echter komt tot stand door het toeval, door cijfers te prikken in een
telefoonboek of door ogen te gooien met een dobbelsteen. Door de
rangschikking van de beeldelementen steeds anders te bepalen, het vlak te
draaien, kleuren te mengen of de compositie niet vanuit de zijkanten, maar
vanuit het midden op te bouwen, worden de eindresultaten complexer en
blijven ze 'terug-leesbaar', maar worden ze ook steeds anders. Als dan ook
nog het vierkant wordt ingeruild voor een voor Brinkman vreemde vorm, wordt
een extra dimensie toegevoegd.
Helen Vergouwen is een beeldhouwer/tekenaar die het (be) tekenen hanteert
als een middel om tot een gewenst resultaat te komen. Ze werkt veel met hout
waarop eerst een laag witte verf wordt aangebracht waarin vervolgens met
potlood een ragfijne belijning wordt aangebracht. De afzonderlijke
paneeltjes worden gegroepeerd en als installatie gepresenteerd. De betekende
paneeltjes werden in aanvang afgewisseld met gelakte exemplaren waarin de
kleur van het materiaal zichtbaar werd gelaten of werd versterkt, waarin een
patroon van gaatjes werd geboord of andere ingrepen werden gedaan. De
fascinatie voor een nauwelijks zichtbaar wandcontact probeert Helen
Vergouwen in de jaren daarna uit te diepen door objecten met de smalste
zijde tegen de wand te bevestigen, zodat ze los lijken te komen van de
drager. Daarbij zijn de ruimtelijkheid van de vorm en de aspecten
open/dicht, voor/achter en onder/boven een steeds belangrijker rol gaan
spelen. Beweging en het 'beweegbare' intrigeren Vergouwen. Regelmatig is het
'beweegbare' in haar objecten terug te vinden.
De samenwerking tussen Arie Brinkman en Helen Vergouwen ligt besloten in de
fascinatie die ze delen voor elkaars werk. Toen beide kunstenaars in 1997
werden gevraagd voor een tentoonstelling rond het thema schaken, grepen ze
die gelegenheid aan om samen enkele werken te realiseren. Helen Vergouwen
ontwikkelde een vorm waarbij de hoogte van de koning, loper en pion de
verschillende hoogtes van het werk bepaalden en een vorm die de aanduiding
op het speelveld vastlegde. Deze vormen werden door Arie Brinkman
beschilderd. Evenmin als in latere stukken, zoals de plattegrond van
Gorinchem (1998), waarin de plekken waar Brinkman en Vergouwen woonden,
werkten en elkaar ontmoetten zijn vastgelegd, is hier sprake van
willekeurige vormen. Voordat een vorm ontstaat is sprake van een gedegen
onderzoek en wordt in het resultaat het 'eigen, abstract uitgewerkte
verhaal' verteld.
Vanuit deze objecten ontstonden de meerluiken. Twee, drie of meer delen
worden scharnierend aan elkaar bevestigd, zodat deze ten opzichte van elkaar
kunnen bewegen. De drieluiken vinden hun oorsprong in de vraag van een
galerie om in het kader van Gorcum Cultuurstad (1998) 'iets' te doen rond
het thema Hugo de Groot. Een aan de muur bevestigd sigarenkistje, het
gegeven open/dicht, deurtjes en belangstelling voor religieuze kunst leidden
bijna vanzelfsprekend tot de eerste triptiek. Dan blijkt ineens, dat er
kunstwerken ontstaan die meer zijn dan de som der delen. Kunstwerken, waarin
beide kunstenaars hun eigen identiteit behouden. De organische, soms
toevallige, maar vaker grondig uitgedachte vormen van Helen Vergouwen en de
minitieus geschilderde systematische structuren van Arie Brinkman. Als enkel
paneel of als meerluik. Helen legt de basis voor een werk. Zij levert de
vorm aan die soms onbeschilderd, maar vaker wit geschilderd is en
gedeeltelijk betekend. Uitgaande van die vorm als drager voegt Arie daar de
beschildering aan toe. In dat spel van vorm, betekening en beschildering
ontstaat het werk, dat vooral een visueel interessant beeld moet opleveren.
De drieluiken van Brinkman en Vergouwen stoelen niet op de traditie van de
14e
en 15e eeuwse religieuze schilders. Ze verwijzen er niet naar en hebben ook
die
bedoeling of functie niet. Geen geestelijke inhoud derhalve.
En toch staan ze er wat innerlijk betreft niet eens ver vandaan. Voor Arie
Brinkman moet een schilderij iets uitstralen, mag een werk een bijna
religieuze werking hebben. Niet in de zin van geloof, maar in die van
beleving, een geheimzinnige of spirituele ervaring. Zoals de monochrome
kleuren van Barnett Newman (1905-1970) dat hebben of de schilderijen van
Mark Rothko (1903-1970). Die spirituele ervaring kan leiden tot momenten van
gelukzaligheid. En zonder het verstand te verliezen. Mocht dat toch het
geval zijn, dan kunnen de deurtjes dicht en zet de zacht gloeiende, maar
aardse tekening van Helen Vergouwen ons weer met beide benen op de grond.
Piet Augustijn conservator hedendaagse kunst Gorcums Museum, Gorinchem
